Welcome to the Interactive Intelligence Group

The Interactive Intelligence group aims to engineer empathy. To achieve this aim we combine research from different fields:

In therapy with avatars


Combating phobias and psychotic disorders using virtual technology. This is what the work of TU Delft researcher Willem-Paul Brinkman involves. In the latest edition of Delft Outlook, TU Delft’s science magazine, Brinkman shows how this method can provide solutions for such problems as fear of flying and, in the longer term, possibly also for social disorders.

In therapy with avatars - NOS Journaal op 3, 3 mei 2011.

iCare video contest for young people about Care & Technology & Community


The Health Experience Group (part of II) is currently running a video contest for young people aged between 16 and 25 in the region Haaglanden with the theme "Zorg & Techniek & Wijk". The idea is to collect videos about how senior citizens use technology for daily activities (e.g. skyping with grandkids), care, or how younger people support the care of senior citizens. This footage will be used to inspire the HEX Groups research on designing technologies providing care & services to seniors. Furthermore, we would like to use these great examples as inspiration for other seniors to start using current technologies, such as social media.
To participate simply grab you smartphone and shoot a short video about you and/or a senior using technology or engaging in collaborative activities. Upload your video to Youtube and submit the link via our website. The winners will be announced and receive their price (e.g. an iPad mini) at a TOP event in March.


News



Mobieltje is de beste gids na ramp
Feb. 20, 2013

,,Het is een misvatting dat mensen die een grote ramp meemaken in paniek raken”, zegt rampenonderzoeker Lucy Gunawan. In rampenfilms, ja, maar niet in het echt. ,,Onderzoek leert dat mensen elkaar juist helpen, vindingrijk en veerkrachtig zijn, geen hulpeloze slachtoffers.”

Gunawan (1978) promoveerde vorige week aan de TU Delft op een methode waarmee mensen in het rampgebied met mobieltjes hun rampgebied in kaart brengen. En daarna krijgen ze informatie terug via de mobiele telefoon: route-aanwijzingen naar veilige gebieden of hulpposten.

,,Na grote rampen als aardbevingen en overstromingen is de situatie onzeker en onoverzichtelijk”, zegt Gunawan. Wegen raken onbegaanbaar, gebouwen staan op instorten, de situatie verandert van uur tot uur. Hulpdiensten hebben grote moeite om de binnenkomende informatie te controleren, centraal te verwerken tot een kaart, en om die informatie weer door te spelen aan hulpverleners en bewoners. Ook omdat hun eerste taak mensen helpen is.

Onderzoekster Gunawan testte het idee om het verzamelen van betrouwbare informatie uit te besteden aan mensen die toch al in het rampgebied zijn. De vuurproef van haar systeem was een nagespeelde aardbeving waarbij 72 vrijwilligers zich met hulp van haar rampen-app een weg moesten banen door een ‘rampgebied’, de campus van de TU Delft.

Onderweg moesten ze doorgeven of ze een geblokkeerde weg tegenkwamen, of een gebouw dat zo te zien op instorten stond. Bij gebrek aan echte rampschade hadden de deelnemers een boekje bij zich waarin bijvoorbeeld stond dat de aula scheef hing. ,,Het was een erg leuke dag”, zegt Gunawan over de blijkbaar nogal gestileerde catastrofe, ,,de sfeer was een beetje die van een speurtocht.” Toch denkt ze dat de werkelijkheid niet wezenlijk geweld aangedaan werd. ,,Het ging vooral om het doorgeven van informatie.”

De resultaten van de gecrowdsourcete rampenkaart vergeleek ze met een traditioneel gemaakte kaart. Die kwam uit handen van een goed-ingewerkte operator, die binnenkomende telefoontjes verwerkte. Die informatie ging terug via de radio. De mensen in het rampgebied probeerden zich met papieren kaarten te oriënteren. Gunawan: ,,Met de mobieltjes ging het beter, zeker als je ook methoden gebruikt om in te schatten hoe betrouwbaar de rapportages zijn.”

Maar is juist het mobiele telefoonnetwerk niet een van de eerste slachtoffers van grote rampen, door het wegvallen van elektriciteit of overbelasting? ,,Niet altijd”, zegt Gunawan, ,,en je kunt snel een noodnetwerk op te zetten.” In de toekomst komen daar mogelijk ook peer to peer-netwerken bij, waarin mobiele telefoons direct met elkaar communiceren (zie kader: internet onder mobieltjes).

In haar jeugd in Indonesië was voor Gunawan de dreiging van een ramp nooit ver weg. ,,We woonden vlak bij de actieve vulkaan Merapi. Daar waren ook aardbevingen. Dan ren je meteen naar buiten. Bij een grote aardverschuiving kwamen ook mensen uit ons dorp om. Die ervaringen hebben me wel op dit spoor gezet. Ik wilde mensen helpen.”

Mobiel naar mobiel

MANET heet het onder netwerkonderzoekers: een Mobiel Ad Hoc netwerk, waarin naburige mobieltjes elkaar detecteren, en boodschappen aan elkaar doorgeven, zonder tussenkomst van telefoonmasten en een provider. Het zou ideaal zijn voor scholen en campussen: iedereen die erbij hoort kan dan providerloos en gratis met elkaar bellen.

Zo’n onderling netwerk kan zelfs het telefoonnetwerk of internet op als maar één van de telefoons contact heeft met een telefoonmast en het pas zich aan als een mobieltje buiten bereik raakt.

MANET is nog experimenteel. Er zijn kleinschalige experimenten, gebaseerd op wifi – nog niet op het 3G-protocol dat een groter bereik heeft.

Niet alleen rampenbestrijders zijn geïnteresseerd: het Amerikaanse State Department financierde het open source softwarepakket Commotion, bedoeld voor mobieltjes en laptops die zichzelf automatisch tot netwerk configureren. Vooral bedoeld voor inzet in dictaturen en vijandige gebieden, waar stiekem informatie vandaan gesmokkeld moet worden.

 

 

 

Bron: NRC Handelsblad, Bruno van Wayenburg, 11 February 2013

Mensen in rampgebied geen hulpeloze slachtoffers maar bruikbare informanten
Feb. 04, 2013

Gebruik de mensen die zich in een rampgebied bevinden als informatiebron, in plaats van ze alleen als hulpeloze slachtoffers te zien. Dat werkt voor alle partijen beter. Dit stelt Lucy Gunawan, die op maandag 4 februari op dit onderwerp promoveert aan de TU Delft.Promotie_Gunawan3

Veldsensoren
Het onderzoek van Lucy Gunawan richt zich op de vraag hoe mensen die door een ramp getrof­fen zijn naar een veilige locatie kunnen worden begeleid door gebruik te maken van hun zelfredzaamheid en de beschikbare mobiele technologie. In tegenstelling tot traditionele gecentraliseerde rampbestrijdingsystemen, stelt Gunawan voor om gebruik te maken van een gedecentraliseerd systeem. Daarbij kunnen de mensen in het getroffen gebied zichzelf naar een veilige omgeving leiden maar tegelijkertijd dienen ze als ‘veldsensoren’ om informatie over de rampsituatie te delen.

Catastrofe-sociologie
Gunawan: ‘Uit de literatuur op het gebied van catastrofe-sociolo­gie, blijkt dat mensen in een rampgebied lang niet altijd hulpeloze slachtoffers zijn. Het zijn veelal capabele personen die rationeel en proactief opereren op een saamhorige en behulpzame manier. Ze kunnen zelfs in staat zijn om ten tijde van een crisissituatie creatief om te gaan met alle voorhanden zijnde technologieën.’

‘Deze personen, die dus ooggetuigen zijn en verspreid over het rampgebied, vormen de grootste groep in het getroffen gebied. Hierdoor vormen deze personen een groot potentieel als hulpmiddel om eerstehands informatie over de rampsituatie te verzame­len.’

Navigatie- en kaartsysteem
Cruciaal in deze situaties is ten eerste een goed navigatiesysteem, dat voldoende en flexibele begeleiding biedt, ondanks de veranderde omgeving in het rampgebied. De eerste studie die Gunawan deed was een veldexperiment met een mobiel navigatiesysteem dat alleen maar de richting van de bestemming aangaf en eventueel elementaire navigatie-aanwijzingen verschafte. De resultaten tonen aan dat een simpele navigatie-aanwijzing in de vorm van een pijl voldoende is om personen naar een specifieke bestemming te leiden. Ten tweede, moet de informatie van de verschillende personen op een betrouwbare wijze gebundeld worden in een gezamenlijke kaart. Gunawan toonde aan dat een goede kaart gemaakt wordt door individuele bijdragen met betrouwbaarheidsindicaties eenvoudig en consistent te laten invoeren.

Ramp nagebootst
Gunawan voerde verder onder meer een uitgebreide gecontroleerde veldstudie uit waarbij een ramp in Delft werd nagebootst. Meerdere deelnemers speelden op verschillende locaties (in het veld en in het informatiecentrum) tegelijkertijd verschillende rollen (de getroffen bevolking en operatoren), terwijl ze gebruik maakten van verschillende hulpmiddelen (mobiele tel­efoon, desktop computer) en applicaties.

‘Het doel van deze studie was om het voorgestelde systeem te vergelijken met een traditionele gecentraliseerde systeem. De resultaten van deze studie tonen dat het voorgestelde systeem superieur was aan het traditionele systeem in het veilig begeleiden van de getroffen bevolking naar de bestemming, het helpen van de operators om een beter bewustzijn van de situatie te bewerks­telligen en het verlagen van de werkdruk van de operators’, zegt Gunawan.

‘Mijn onderzoek zou de basis kunnen vormen voor een volgende generatie rampenbestrijdingssystemen.’

Nadere informatie:
Lucy Gunawan: promovendus Interactive Intelligence, faculteit Elektrotechniek, Wiskunde en Informatica, TU Delft: nike.gunawan@gmail.com

Mark Neerincx, hoogleraar Interactive Intelligence, faculteit Elektrotechniek, Wiskunde en Informatica, TU Delft: mark.neerincx@tno.nl

 

Bron:  http://www.tudelft.nl/nl/actueel/laatste-nieuws/artikel/detail/mensen-in-rampgebied-geen-hulpeloze-slachtoffers-maar-bruikbare-informanten/

 

Onderzoekers organiseren filmpjeswedstrijd
Jan. 08, 2013

Positieve aandacht vestigen op de combinatie techniek, zorg en ouderen. Dat is het doel van de iCare-filmpjeswedstrijd, een idee van postdoconderzoekster Alina Pommeranz.

Alina Pommeranz werkt sinds mei 2012 aan de TU als postdoc (Foto: Hani Alers)

Alina Pommeranz werkt sinds mei 2012 aan de TU als postdoc (Foto: Hani Alers)

De groep van Pommeranz, de Health Experiencegroep (faculteit Elektrotechniek, Wiskunde en Informatica), richt de oproep voor het maken van filmpjes over de combinatie techniek, zorg en ouderen aan jongeren tussen 16 en 25 jaar uit de regio Delft. Zij kunnen voor het filmen gewoon hun mobieltje gebruiken. Pommeranz: “We beoordelen de filmpjes puur op de inhoud.”

Volgens Pommeranz bestaan er ten onrechte veel negatieve beelden van hoe ouderen met techniek bezig zijn. “Veel ouderen zijn er zeker in geïnteresseerd om up to date te blijven, zodat ze bijvoorbeeld via een tablet kunnen skypen met hun kleinkinderen. Natuurlijk zijn er mensen die dat minder hebben, maar dat komt deels doordat ze er niet aan gewend zijn.”

Met de iCare-competitie wil Pommeranz laten zien dat het kan om als oudere bij te blijven. “Al hebben we maar een paar voorbeelden, het zou zeker helpen.” De onderzoekster denkt dat het belangrijk is het gebruik van techniek door ouderen en in de zorg van ouderen te promoten, omdat het de toekomst heeft. “De gezondheidszorg wordt duurder en er komen steeds meer oudere mensen, we kunnen er niet omheen.”

De Health Experiencegroep, die in oktober 2012 is opgericht en waarvan Pommeranz deel uitmaakt, doet onderzoek op dit gebied. Er lopen verschillende projecten, zoals Care@home, een smart-tv met allerlei diensten erop. Te denken valt aan communicatie met zorgverleners, familie en vrienden, entertainment en online winkelen. Een ander project heet ‘I don’t fall’ en richt zich op het monitoren van de mate van activiteit van een oudere in zijn eigen huis. Beweegt iemand zich weinig, dan zijn zijn spieren minder sterk, wat de kans op vallen vergroot.

De groep ontwikkelt deze technieken en diensten samen met belanghebbenden. Pommeranz noemt dat participatory design. Een voorbeeld waar zij momenteel zelf aan werkt, is een communicatiemiddel voor kinderen met het Angelmansydroom. “In het kinderziekenhuis werk ik samen met doktoren en patiënten aan een ontwerp.” In de Delftse wijk Voorhof, in wijkcentrum De Vleugel, werkt de HEX-groep ook aan het opzetten van een living lab. Daar kunnen technieken in de praktijk worden getest.

Filmpjes kunnen tot 15 februari worden opgestuurd via de website van de HEX-groep. 13 maart is de prijsuitreiking.

 

bron: Delta:  http://www.delta.tudelft.nl/artikel/onderzoekers-organiseren-filmpjeswedstrijd/26129?fb_action_ids=10151404729211639&fb_action_types=og.likes&fb_source=aggregation&fb_aggregation_id=288381481237582

Tweakers videoreport on the INSYGHTLAB opening online
Dec. 13, 2012

Last week, the Tweakers video crew visited the recently opened INSYGHTlab to do a videoreport on the facilities and some of the research that  goes on there.

Today the full videoreport was posted on the Tweakers website:

 

TU Delft opent lab voor interactieve intelligentie
Nov. 14, 2012

De TU Delft neemt vandaag het INSYGHTLab in gebruik, waar een groot aantal technieken op het gebied van interactieve intelligentie, multimedia signaalverwerking en patroonherkenning zal worden ontwikkeld.

INSYGHTlab is uitgerust met de modernste hardwaresetups voor de diverse technologieën. Bij de opening van het lab zijn meer dan twintig demo’s van allerlei toepassingen te volgen.

Een voorbeeld uit het INSYGHTLab is de 3D-tafel. Op deze tafel kan men allerlei gebeurtenissen zeer precies simuleren. Deze simulaties zijn via een speciale bril door de omstanders in 3D te volgen. Dit kan handig zijn voor groepen onderzoekers. Via de 3D-tafel is bijvoorbeeld een overstroming (en de gevolgen daarvan) in allerlei varianten te laten zien. Ook een operatie is in 3D te simuleren en te volgen.

Een andere opstelling in het lab betreft Visual Perception & Eye Tracking. Daarbij is te zien hoe een computer willekeurige objecten kan volgen (tracken) in een live video. Dit kan interessant zijn in bijvoorbeeld de beveiliging: kunnen we een overvaller automatisch volgen via beveiligingscamera’s door het centrum van Rotterdam?

Onlangs kreeg eurocommissaris Neelie Kroes al een voorproefje van het INSYGHTLab. Ze kreeg een presentatie over vier informatica-onderzoeken waaraan bij de TU Delft wordt gewerkt. Het ging om toepassingen als visualisatie van open data, gepersonaliseerd gebruik van reisdata en de bescherming van de privacy.

 

bron:  http://www.emerce.nl/nieuws/tu-delft-opent-lab-interactieve-intelligentie

 

Smart CCTV knows when you need shopping advice
Oct. 25, 2012

ARE you enjoying your shopping experience? Video surveillance systems might soon be answering that question for you. CCTV security cameras are a familiar fixture in shops, but the same cameras can also be used to track and analyse your browsing habits.

Mirela Popa at Delft University of Technology in the Netherlands and colleagues are developing software that can automatically categorise shoppers’ behaviour using video footage from the fisheye cameras that many retail outlets have on their ceilings.

For example, the system can tell if customers appear to be disoriented, are looking around for a specific product, or are heading purposefully towards a particular section. When a customer seems in need of assistance, a member of staff can be directed to them. The aim is to help customers and increase retailers’ profits, says Popa, who hopes the technology will lead to better customer service. “If I don’t find what I’m looking for, I leave the shop,” she says.

“This could be extremely valuable in terms of how to judge when a customer needs help,” says Patrick O’Brien of retail analysts Verdict Research in London, UK. “In a busy shop it’s difficult to know who it would be most productive to help next.”

By installing additional cameras at eye level among shop displays, Popa’s system can also build up a detailed picture of how a shopper interacts with particular products, providing instant feedback for retail analysts. In a mock-up shop in their lab, with volunteers posing as shoppers, the system was able to identify specific browsing behaviours, including what items were picked up or put back, or when shoppers tried clothes on.

The technology is based on motion-detection algorithms that track people’s movements. It then learns patterns, based on what it has observed, that can be used to predict future customers’ behaviour, says Popa.

The team reports an overall accuracy of 85 per cent in categorising customers’ behaviour. They presented the latest version of the work at the International Conference on Image Processing in Orlando, Florida, this month.

But even if such technology could lead to a better experience for customers and retailers, will people accept a greater level of intrusion? The team conducted an early trial in a supermarket in Eindhoven, the Netherlands and, according to Popa, people have been positive so far. “I think that life is changing,” she says. “You can’t do anything about that.”

“The real challenge is in turning that data into something of value,” says Tim Denison, director of retail intelligence at Ipsos Retail Performance in Milton Keynes, UK, and co-founder of Retail Think Tank. He believes it is a challenge that’s about to be met.

Within two years, video analysis systems that monitor consumer behaviour could be cost-effective for many retailers. He notes that there are already smart billboards with built-in cameras that use visual cues to guess whether you are male or female, and display a different advert accordingly.

As for privacy, Denison is pragmatic. “If it’s clear both consumer and retailer derive benefit from the technology, then it’s fair game,” he says. “A win-win scenario.”

Benefits to retailers are obvious: more customers, and more profit. Consumers could enjoy better customer service – the system can predict when a shopper appears to be in need of help – and improved shop layouts and displays that make it easier to find products.

Volker Roth at the Free University of Berlin, Germany, is less sanguine: “In general, any work that targets and profiles users, potentially without their consent or awareness, has a significant privacy dimension.” He adds that many of the people being tracked may not value any improvement in customer service above their own privacy.

 

19 October 2012 by Douglas Heaven

 

Bron: http://www.newscientist.com/article/mg21628875.200-smart-cctv-tracks-consumers-as-they-shop.html

 

 

Virtual character against cyber bullying
Sep. 17, 2012

 

Name: Janneke van der Zwaan (30)
Nationality: Dutch
Supervisor: Prof. Catholijn Jonker (Faculty of Electrical Engineering, Mathematics and Computer Science)
Subject: A virtual character that provides emotional support to victims of cyber bullying
Thesis defense: In 1,5 years

Read more: http://www.delta.tudelft.nl/article/virtual-character-against-cyber-bullying/25640

 

 

 

Beleidsondersteuning door Agent-Based simulaties
Jul. 19, 2012


door Frank Dignum, Virginia Dignum en Catholijn Jonker

De beleidsmaker heeft het op dit moment niet gemakkelijk. Allerlei ideeën voor maatregelen die er op het eerste gezicht goed uitzien pakken slecht uit als men ze invoert. Denk bijvoorbeeld aan de invoering van het verbod op roken in openbare ruimtes. Dit werd ook ingevoerd in andere Europese landen zoals Italië. Daar lijkt het perfect te werken en gaan mensen gewoon buiten staan roken. Maar in Nederland wordt het verbod op grote schaal overtreden, de inspectie heeft niet de menskracht om het verbod af te dwingen, de café-eigenaren klagen over een achteruitgang in hun omzet, en de reguliere cafébezoeker begrijpt ook niet waarvoor het nodig is. Daarnaast worden bij restaurants en cafés de terrassen overdekt en voorzien van kachels die extra kosten met zich meebrengen voor de eigenaar en niet goed zijn voor het milieu. Dat kan anders!
In de toekomst kunnen beleidsmaatregelen ontwikkeld worden door de wisdom of the crowd op een gefaseerde en beheerste manier in te zetten met behulp van computersimulaties. Voor elk gebied waarop beleid ontwikkeld moet worden, zijn er zogenaamde ‘agent-base d simulations’ beschikbaar waarin nieuwe beleidsmaat-regelen uitgespeeld kunnen worden om inzicht te krijgen in de mogelijke effecten van die maatregelen. Aangezien agent-technologie en kunstmatige intelligentie in de komende 25 jaar, naar onze mening, nog niet in staat zijn om over willekeurige onderwerpen zinnig te redeneren, kunnen deze agent-simulaties niet direct uitspelen hoe een nieuwe maatregel kan uitwerken in de maatschappij.
Om dit op te vangen, maken beleidsmakers gebruik van focusgroepen van de doelgroepen op wie de maatregel effect zou moeten hebben. Met die focusgroepen wordt doorgesproken hoe zij verwachten dat mensen van hun doelgroep op die maatregel zouden reageren. Bovendien worden ook de uitvoerders van de maatregel in zulke focusgroepen om hun mening gevraagd. De feedback die op deze manier verzameld is, wordt voorgelegd aan experts op het gebied van sociologie, psychologie en culturele psychologie. Met behulp van deze experts wordt uitgezocht hoe de reacties in de focusgroepen te relateren zijn aan persoonlijkheidskenmerken, sociale netwerken en culturele achtergrond. Deze kenmerken en relaties worden vervolgens aan de agent-populatie in de agent-based simulatie toegekend, waarmee deze agents in de simulatie nu wel in staat zijn om realistisch te reageren op de nieuwe maatregelen.
Vervolgens worden simulaties gedraaid met alleen agents om te zien wat de mogelijke uitwerking op de maatschappij zou kunnen zijn. Op grond van de inzichten die aldus worden verzameld, kan de beleidsmede-werker de beleidsmaatregel aanpassen. Aanpassingen vragen om een herhaling van bijeenkomsten met de focusgroepen en de experts. Voor de beleidsmaatregel daadwerkelijk wordt ingevoerd, wordt nog een simulatie gespeeld waarin de participatie van een willekeurige steekproef uit de bevolking gevraagd wordt. Ook deze laatste simulatie is gebaseerd op de agent-based sirnulation, maar nu in een variant waarin mensen via het internet aan de simulatie mee kunnen doen, zoals zij ook nu via het internet met elkaar spelen in bijvoorbeeld World of Warcraft. Zo kan een simulatie op het tempo van mensen worden gespeeld en naar believen eenmalig een uurtje of een paar dagen achter elkaar een uurtje gespeeld worden. Als de maatregel ook in deze simulatie naar behoren werkt, dan kan de maatregel daadwerkelijk worden ingevoerd. Als dat niet zo is, kan de beleidsmaker de maatregel aanpassen en opnieuw met de focusgroepen en simulaties aan het werk.

Over de auteurs
Catholijn Jonker en Virginia Dignum zijn verbonden aan respectievelijk de faculteit Elektrotechniek, Wiskunde en Informatie, en Techniek, Bestuur en Management van de TU Delft. Frank Dignum werkt bij het Institute of Information and Computing Sciences van de Universiteit Utrecht.

 

bron: “Samen Slimmer” door Maurits Kreijveld

Het is een soort tijdmachine
Jul. 19, 2012

 

Dr.ir. Willem-Paul Brinkman (EWI) ontwikkelt computerprogramma’s die patiënten helpen bij het verwerken van trauma’s. Bij de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR) loopt nu een proef met mensen die tijdens hun jeugd seksueel misbruikt zijn.
Willem-Paul Brinkman met op de achtergrond het programma voor volwassenen die in hun jeugd seksueel misbruikt zijn. (Foto: Tomas van Dijk)

Hoe werkt het programma?
“Patiënten bouwen de omgeving waar het misbruik plaatsvond na in een virtuele wereld. Dit dwingt ze om te graven in het geheugen. Mensen proberen niet te denken aan nare gebeurtenissen. Maar de herinneringen worden minder pijnlijk als je vaker aan het voorval terugdenkt.”

Hoe bent u op het idee gekomen?
“Een student van me, Matthew van den Steen, is een paar jaar geleden begonnen met het maken van een dergelijk programma voor militairen met posttraumatische stress-stoornis (PTSS). Een psychiater van het leger vertelde ons dat ze bij PTSS-therapie in het leger werken met flip-overs waarop soldaten poppetjes en gebouwen kunnen tekenen om de situatie te reconstrueren.”

Dat moest beter kunnen, dachten jullie?
“Met ons programma kun je de situatie veel nauwkeuriger reconstrueren. Je kunt hele dorpjes in Afghanistan, Joegoslavië, of waar dan ook nabouwen en vanuit een ander perspectief naar de gebeurtenis kijken. Dan kan zomaar ineens blijken dat een soldaat, die dacht dat hij zijn vriendjes te hulp had kunnen schieten, veel te ver weg was daarvoor. Memory restructuring heet dit process. En het programma heet military multi-modal memory restructuring (4MR) system.”

En met het programma kunnen soldaten ook een dagboek maken.
“Het programma fungeert als een soort tijdmachine. Horizontaal loopt er een tijdsbalk. De patiënt en therapeut kunnen de gebeurtenissen uit het verleden visualiseren door persoonlijke foto’s, online geografische kaarten, webcam-snapshots, en de driedimensionale virtuele werelden te koppelen aan die tijdsbalk.”

Op verzoek van psychologe, Elke Geraerts van de EUR, heeft u toen een programma gemaakt voor volwassenen die seksueel misbruikt zijn in hun jeugd. Helpen uw programma’s nu slachtoffers om met hun trauma’s om te gaan?
“Nou nee. Het is best lastig om verandering teweeg te brengen in therapieland. Ook moet nog klinisch worden aangetoond dat de therapieën werken. De pilot bij de EUR lijkt hoopgevend. Als we aantonen dat het werkt, kunnen we om extra financiering vragen. De programma’s hebben nu nog best veel beperkingen. Therapeuten vinden het lastig om daar mee om te gaan. Ze zijn nu eenmaal geen computer scientists. (Lacht) Het is allemaal begonnen als een vingeroefening en het is ons nu behoorlijk boven het hoofd gegroeid.”

En het programma voor het leger?
“Dat wordt alleen door de psychiater gebruikt met wie we vanaf het begin af aan contact hebben. Er is geen geld om het verder te ontwikkelen. En je kunt moeilijk wat soldaten uit de kazerne trekken en die als een soort onderzoeker in opleiding aan het programma laten werken.”

Dat kan met studenten van de TU wel.
“Ja. In februari begint een nieuw informaticavak. Ik geef studenten dan de opdracht om vier programma’s te ontwerpen; voor volwassenen die seksueel misbruikt zijn in hun jeugd, militairen met posttraumatische stress-stoornis, burgerslachtoffers van oorlog en mensen die een vliegramp hebben meegemaakt. De programma’s moeten van het internet te downloaden zijn en zo stabiel zijn er niet een hele helpdesk aan te pas hoeft te komen om patiënten en therapeuten bij te staan. Ik zoek nog twee student-assistenten.”

 

bron: Delta, vol 44, nr 3

 

Women on the rise
Jul. 19, 2012

 

Dr Judith Redi, originally from Italy, is a newly appointed assistant professor in the EEMCS faculty.
Assistant professor Dr Judith Redi: “I think in general that I like competition, otherwise I wouldn’t be here.” (Photo: Sam Rentmeester)

At the top of the EEMCS building, Dr Judith Redi and I were speaking as though we had been regularly meeting over the last few weeks to work on our semester-long assignment. There was a used student couch on one side of the room and papers strewn across every work surface. Then again, the 29-year-old Redi and I were in her professional office, where, as an assistant professor of computer science, she mentors students like me and develops top-level plans for the future of the visual experience. For Redi, the path from student to professor was not without its ups and downs, and was, as it happens, the result of the right set of circumstances.

The largest opportunities emerge from behind a smoke screen after seemingly endless periods of obscurity. During her Master’s project at the University of Genoa in Italy, Redi’s advisor approached her to test her interest in a PhD. “It’s not like I always had some higher ability to do research, but I liked it,” Redi says. “I was finally doing something explorative. On the other hand, I have to admit, I didn’t have clear ideas on what I wanted to do.”

For Redi, organizational stress during her doctoral years hid what would later prove to be a productive chapter in her ever-evolving career in academia. Of her PhD supervisor, Redi joked, “I always thought he needed a secretary.” A more sober analysis of the situation was that the quality of her publishable work was not of interest to her PhD supervisor. “He needed a student because they needed some workforce in the lab.”

Her tumultuous PhD years were buoyed by external experiences and, in particular, a professional guide. Two internship in the Netherlands, one at Philips and one at TU Delft, gave her a valuable perspective on her force in research. “Every opportunity to leave was great for me,” she recalls. “It was pretty tough, my PhD. I was really alone, left by myself, except for this one person from Philips who supervised me.” That person was Professor Ingrid Heynderickx, whom Redi openly cites as her mentor.
By the end of her PhD period in 2010, the University of Genoa recognized Redi’s work with the award for the best PhD thesis in the ICT domain. Ever playing down her strengths, Redi says, laughing: “I don’t know exactly how they did it, but they decided that mine was the best.”

After finishing her PhD research in December 2009, Redi was waiting to defend her dissertation the following April. In the meantime, she attended a conference where Prof. Heynderickx suggested that she apply for an open assistant professorship position in her department. “I was like, I don’t even have my title yet!” Redi says.
Having been guided by her mentor through the academic maze, Redi is taking well to her role as an assistant professor at TU Delft. She will soon be teaching a seminar on Interactive Intelligence, co-teaching Visual Perception for Displays and Lighting, and the Neural Networks course, which will be entirely hers next year.
The old adage goes: when life gives you lemons, make lemonade. Redi is seemingly the proof that even the largest lemon can morph into new possibilities. Despite the difficult path to professional success, and recognition, Redi has proven that she is afraid of no challenge: “I think in general that I like competition, otherwise I wouldn’t be here.”

 

 

bron: Delta, vol 44, nr, 14

 

Syndicate content